Posts tonen met het label culturele instellingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label culturele instellingen. Alle posts tonen

vrijdag 13 april 2012

Schoolbestuur aan zet

Vorige week zat bij de post een met zorg vormgegeven boekje. Dat komt niet vaak meer voor. Veel publicaties verschijnen tegenwoordig als e-zine of e-book waar ik via mail of een link in een digitale nieuwsbrief naar doorklik. Cultuureducatie op niveau, heet het en Plein C, bureau voor cultuureducatie en onderdeel van de Cultuurcompagnie Noord-Holland, stuurde het. Het gaat over schoolbesturen en hun rol bij cultuureducatie.

Noord-Holland was een van de eerste provincies die ervoor koos om de bemiddelingstaak voor cultuureducatie over te dragen aan de gemeenten. Dat betekent onder meer dat de gemeenten hier zelf geld in moeten steken, en dat is in deze tijd niet zo eenvoudig. Vandaar dat ze, samen met scholen en culturele instellingen, op zoek gingen naar manieren om cultuureducatie op gemeentelijk niveau goed te organiseren. En dan is het niet zo gek dat ze juist bij schoolbesturen uitkomen die beleidsmatig vaak grote groepen scholen aansturen.

In het boekje geeft Plein C in tien interviews een beeld van de manier waarop besturen aankijken tegen cultuureducatie en hun mogelijke rol daarin. Waar het ene bestuur vooral regisseert, is de rol van het andere stimulerend of ondersteunend ten dienste van de schooldirecties. Welke rol het bestuur ook heeft, het zou goed zijn als besturen hun beleid, budget, faciliteiten en personeel richten op beter cultuuronderwijs. En wat mij betreft hoort deskundigheidsbevordering via teamscholing, betaald uit de prestatiebox, daar ook bij.

Uit de conclusies blijkt verder dat besturen cultuureducatie om allerlei redenen belangrijk vinden, maar dat zij zich vooral bezighouden met kwaliteitszorg en opbrengstgericht werken. En dat zijn onderwerpen die de O van OCW belangrijk vindt en waarover de Inspectie rapporteert. Opvallend in dit verband is dat de in maart gehouden studieconferentie School aan zet, onder meer bedoeld voor directieleden en bestuurders, veel aandacht had voor onderwerpen uit de dagelijkse schoolpraktijk, maar geen enkel woord wijdde aan kunst- en cultuuronderwijs.

Wat ik vooral schokkend vind, is dat schoolbesturen cultuuronderwijs wel op de agenda van het directeurenoverleg willen, maar dat zij maar een beperkt idee zeggen te hebben van de praktijk van cultuuronderwijs en daardoor moeilijk kunnen bepalen waar ze beleidsmatig op moeten sturen. Blijkbaar worden ze door directeuren, schoolleiders en leerkrachten, als die laatste al toegang hebben tot schoolbesturen, niet erg gevoed op dit terrein. En dat zou toch moeten, als zij beleid daarop willen voeren en gesprekspartner voor de gemeenten zijn.

Goed dat Plein C ons juist nu op het been zet van de schoolbesturen als actor voor een versterking van leeropbrengsten kunstzinnige oriëntatie. En ik, ik maak binnenkort een afspraak met School aan zet voor de conferentie van volgend jaar. Het Bestuursakkoord Primair Onderwijs 2012-2015 heeft in ieder geval al alle aandacht voor cultuuronderwijs.

Discussie over de rol schoolbesturen bij gemeentelijk cultuureducatiebeleid bij Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

vrijdag 25 november 2011

Herkansing voor de Cultuurkaart?

Woensdagmorgen wakker met Nederland 4, de beste manier om uit bed te komen. Walter Groenen, directeur CJP, vertelt - terecht trots - over het vijftigjarig bestaan van het Cultureel Jongeren Paspoort. Een miljoen kaarthouders hebben ze nu, geen wonder, want jongeren vinden cultuur belangrijk. CJP viert dit feest samen met de culturele sector door het ondertekenen van het convenant 'Cultuurkaart voor jongeren moet blijven.'

Met de komst van het kabinet Rutte ligt de succesvolle Cultuurkaart onder vuur. De kaart kost het rijk een kleine zestien miljoen euro en vanaf het schooljaar 2013 wil het ministerie van OCW van die kosten af. Met andere cultuurbezuinigingen heeft dit veel terechte reacties opgeroepen van scholen, culturele instellingen, politici en vele anderen.

De Cultuurkaart is door Maria van der Hoeven (CDA) ingevoerd in 2008 als een soort creditkaart met een tegoed van vijftien euro om het bezoek aan culturele activiteiten te betalen. Alle leerlingen van het voortgezet onderwijs krijgen de kaart en voor leerlingen met het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV) legde het VSBfonds er tot dit schooljaar nog eens tien euro bij. De Cultuurkaart geldt ook als kortingskaart voor tal van andere activiteiten.

Maandag, tijdens de behandeling van de Cultuurbegroting 2012 in de vaste Tweede Kamercommissie Cultuur lijkt het erop dat de Cultuurkaart toch een doorstart krijgt, ook zonder rijkssubsidie. Zijlstra is enthousiast over het CJP-plan om activiteiten die met de Cultuurkaart worden ondernomen vrij te stellen van BTW. Hij doet een beroep op collega Weekers van financiën daaraan mee te werken. Daarnaast vraagt het CJP scholen om 5% van het bedrag, dat zij van OCW krijgen voor gratis leermiddelen, in te zetten voor cultuur. Bovendien wil het CJP een Fonds voor Cultuur en School waarin loterijen, vermogensfondsen en andere financiers donaties storten. Of Zijlstra ook ingaat op de vraag van het CJP om als eerste een flink bedrag in dit Fonds te storten is nog niet duidelijk.

Vorig jaar wilde een groot deel van de Tweede Kamer de Cultuurkaart al behouden. Het lijkt er nu op dat dat gaat lukken. Een meerderheid van de Kamer en ook de culturele instellingen staan achter het CJP-voorstel. Maar het succes zal ook afhangen van het onderwijs. Uit eerder onderzoek bleek dat de meeste scholen niet zelf alle wegvallende kosten voor de kaart wilden opvangen. Het nieuwe plan vraagt de scholen om een kleinere bijdrage. Dus toch een herkansing?

vrijdag 11 november 2011

Publiek betrekken doe je zo

Vorige maand presenteerde Koers Kunst de eindconclusies over vernieuwing van de cultuursector. Culturele instellingen moeten immers een antwoord verzinnen op ontwikkelingen als de terugtredende overheid, bezuinigingen, digitalisering en commerciële vrijetijdsaanbieders. En op de vraag hoe je het draagvlak voor cultuur onder het publiek kunt verbreden.

Van april tot juli konden deskundigen en cultuurliefhebbers hun ideeën opperen. Belangrijkste conclusie is dat culturele instellingen van de toekomst - meer dan nu het geval is - cultuurmakers met het publiek moeten zien te verbinden. Koers Kunst schetst drie routes om te komen tot een 21e eeuwse cultuurinstelling.
Cultuurinstellingen moeten bezoekers niet alleen laten consumeren maar hen juist aanzetten tot nadenken, interpreteren en begrijpen, want dat is bepalend voor de kwaliteit van de cultuurervaring, aldus filosoof Thijs Lijster. Zorg dus voor begrijpelijke en aantrekkelijke teksten, aansprekende filmpjes, en recensies op toegangskaartjes, smartphones of groot op de muur.
Cultuurinstellingen moeten een relatie opbouwen met hun publiek. Zij moeten hen niet eenzijdig bestoken, maar hen juist bij hun producten betrekken. Publiek, amateurkunstenaars en partners zouden de kans moeten krijgen om te reageren en mee te doen (co-creatie).
Tenslotte zouden cultuurinstellingen hun aanbod niet moeten wegstoppen in gebouwen, aldus architect Francine Houben, maar meer buitenshuis zichtbaar moeten maken: zoek het publiek op met voorproefjes, materialen en verhalen.

Opmerkelijk is dan dat op website en in eindpublicatie nergens expliciet het woord cultuureducatie genoemd wordt, terwijl de Koers-Kunst-conclusies genoeg aanleiding geven om dat wel te doen.
Zeg nu zelf: hoe kun je publiek nu beter verbinden met cultuur, cultuurmakers en cultuuruitingen, hoe kun je hen beter laten nadenken, interpreteren en begrijpen dan door educatie? En dan niet incidenteel, maar juist structureel. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Op school zit immers het publiek van de toekomst. Culturele instellingen kunnen een culturele relatie voor het leven opbouwen met kinderen en jongeren. Op die manier raken zij vertrouwd met kunst en cultuur, met kunstenaars en instellingen, en met leeropbrengsten als verwonderen, ervaren, interpreteren en meedoen.

Niet voor niets moeten culturele instellingen in de landelijke basisinfrastructuur hun visie op en uitwerking van cultuureducatie geven in hun aanvraag voor de komende cultuurplanperiode. Voor de meeste mensen geldt uiteindelijk dat als je zelf kunst beoefent, je vaker naar voorstellingen, tentoonstellingen en concerten gaat dan wanneer dat je dat niet doet.

Zie voor discussie over het effectief betrekken van publiek ook het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

vrijdag 4 november 2011

Bepaalt de school de kwaliteit van cultuureducatie?

Maandagmiddag gespreksleider van een discussiebijeenkomst voor genodigde culturele instellingen. Onderwerp was de kwaliteit van cultuureducatie én een kwaliteitskader om die kwaliteit te toetsen. Claudy Oomen – van Oberon - was duidelijk in haar verhaal: 'Meet je kwaliteit om die te verbeteren en gebruik het kwaliteitskader als instrument voor zelfevaluatie'.

De referenten vertelden daarna kort wat zij van het kwaliteitskader vonden. Vanuit haar ervaring als cultureel partner van Amsterdamse scholen accentueerde Karlien Pijnenborg van de Toneelmakerij, het belang van duurzame samenwerking met scholen. Noortje Driessen van de Tilburgse basisschool Bibit hecht aan goede afspraken met culturele instellingen over inhoud en opbrengst. En Teunis IJdens van Cultuurnetwerk Nederland houdt de school verantwoordelijk voor de kwaliteit van een cultuureducatieve activiteit.

Aan de hand van stellingen, stemmingen en op scherm geprojecteerde stemuitslagen discussieerden we, met een kleine vijftig deelnemers, betrokken en gedreven over dit onderwerp. Ter illustratie enkele voorbeelden van de stellingen: 'Een culturele instelling die aan alle indicatoren van het kwaliteitskader voldoet, moet een kwaliteitskeurmerk krijgen'. Of: 'Dit kwaliteitskader moet culturele instellingen dwingen de kwaliteit van cultuureducatie voor het onderwijs te verbeteren.' En als laatste: 'Er had beter een kwaliteitskader cultuureducatie voor het onderwijs ontwikkeld kunnen worden'. U begrijpt dat het meningsverschil dan groot kan zijn. Over één stelling was bijna iedereen het eens: 'Dit kwaliteitskader inspireert culturele instellingen om werk te maken van kwaliteit'.

De monitoren cultuureducatie in het basis- en voortgezet onderwijs concludeerden dat het de goede kant op ging. Er is echter ook kritiek op die kwaliteit. In het Jaarboek 2010 van het Fonds voor Cultuurparticipatie schreef Ton Bevers: hoe kun je de kwaliteit verbeteren als er niet meer lesuren zijn. Als er in het basisonderwijs steeds minder vakleerkrachten zijn. En als de deskundigheid van de groepsleerkracht voor de kunst- en erfgoedvakken niet optimaal is. Dat klopt allemaal, maar aan de andere kant weten we natuurlijk niet hoe het echt met de kwaliteit van het cultuuronderwijs gesteld is, omdat we niet weten wat er in de les zelf gebeurt.

Dat goede cultuureducatie van groot belang is, spreekt voor zich. Dat die kwaliteit het best te beoordelen is door onderwijsprofessionals zelf is minder vanzelfsprekend. Wat mij maandag opviel is dat culturele instellingen vooral de wow-ervaring belangrijk vinden: de vonk die oplicht tussen kunstwerk en leerling, tussen activiteit en lerende. Het is mooi als dat gebeurt, maar ook zonder deze voorwaarde kunnen en moeten leeropbrengsten gerealiseerd worden.

Dat vraagt om een goed gesprek tussen school en instelling, met als uitgangspunt het onderwijs, het onderwijsleerplan en de onderwijspraktijk. Vervolgens komt de vraag of, wat en hoe externe organisaties, zoals culturele instellingen, kunnen bijdragen aan de kwaliteit van cultuureducatie.

Vandaar dan ook dat ik nieuwsgierig ben naar het oordeel van de scholen over dit kwaliteitskader.

Zie voor reacties ook het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

vrijdag 21 oktober 2011

Wat is goede cultuureducatie?

Wanneer is er sprake van goede cultuureducatie? Wanneer kun je zeggen dat cultuureducatie resultaat heeft. En wat is dan dat resultaat? Essentiële vragen voor culturele instellingen met een educatief aanbod.

Hardop denkend lijken cultuureducatieve activiteiten geslaagd als deelnemers er ook wat van leren en dit positief waarderen. Dus vragen culturele instellingen daarnaar bij hun deelnemers. Maar om gefundeerd vast te stellen wat de kwaliteit van cultuureducatie is en hier grip op te krijgen, dat is een stuk complexer. Natuurlijk is dit ook voor de subsidiegever van belang, zoals het ministerie van OCW. Het ministerie vroeg onderzoeksbureau Oberon dan ook na te gaan hoe gesubsidieerde culturele instellingen invulling geven aan cultuureducatieve activiteiten voor scholen en wat de indicatoren zijn voor de kwaliteit daarvan. Op grond van de onderzoeksuitkomsten verdeelde Oberon de indicatoren in drie categorieën: randvoorwaarden die goede cultuureducatie mogelijk maken, inhoudelijke karakteristieken van de activiteiten en tot slot de opbrengsten ervan.

Uit een enquête die Oberon dit jaar hield onder gesubsidieerde culturele instellingen blijkt dat zij voor een deel andere prioriteiten stellen dan Oberon formuleert en ook andere dan bovengenoemde indicatoren bepalend vinden voor de kwaliteit van hun educatieve aanbod. Daarnaast verklaart een aanzienlijk deel van de respondenten dat sommige van de indicatoren niet van toepassing zijn.
Het meest positief zijn de instellingen over de opbrengsten van hun educatieve activiteiten. Passie en plezier teweegbrengen voor kunst en cultuur vinden verreweg de meeste instellingen het belangrijkst. Van de randvoorwaarden beoordelen ze de professionaliteit en inbreng van hun medewerkers het meest positief. Ongeveer de helft van de instellingen beoordeelt de eigen inhoudelijke kwaliteit als goed. Aansluiten bij de doelgroep en het bieden van een podium zien de meeste instellingen als inhoudelijk het belangrijkst.

Werken aan de kwaliteit van eigen educatieve activiteiten is natuurlijk voor alle culturele instellingen van belang. Dit geldt in verhevigde mate voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur, omdat zij in hun subsidieaanvragen voortaan duidelijk moeten maken op welke manier zij binnenschoolse cultuureducatie vormgeven. En volgens staatssecretaris Zijlstra is dat een zwaarwegend beoordelingscriterium. Instellingen moeten zich dan de vraag stellen: doen we de dingen die we doen ook goed?

Dit kwaliteitsvraagstuk staat centraal op de discussiebijeenkomst 'Kwaliteit van cultuureducatie'die Cultuurnetwerk Nederland samen met Kunstfactor binnenkort op verzoek van OCW organiseert voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur. Leidraad daarbij vormt 'Kwaliteitskader cultuureducatie door culturele instellingen' van Oberon dat binnenkort verschijnt.

Natuurlijk kan iedereen die er op 31 oktober niet bij is - hier of op LinkedIn - een waardevolle bijdrage leveren aan de discussie!

Zie voor meer discussie over de kwaliteit van cultuureducatie het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

donderdag 10 maart 2011

Bliv frivillig, og gør en forskel!


Bliv frivillig, og gør en forskel! is de slogan van het Europese jaar van de vrijwilliger in het Deens. En in het Frans is die: 'Changez les choses: devenez bénévole!' Wij zeggen: 'Vrijwilligers maken het verschil'. Volgens de cijfers van het CBS is een op de vijf Nederlanders actief als vrijwilliger. Het gaat in 2011 niet meer alleen om de mantelzorger of de lijnentrekker; je vindt vrijwilligers net zo goed in de amateurkunstensector, in een museum of in een andere culturele instelling.

De vrijwilliger maakt het verschil! Zonder vrijwilligers zou er een heleboel niet meer gebeuren. Lucas Meijs – hoogleraar vrijwilligerswerk aan de Rotterdam school of Management - rekende uit dat alle vrijwilligers in Nederland goed zijn voor 560.000 voltijdsbanen: een economische waarde tussen de 5 en 20 miljard euro! Vrijwilligers zijn ook waardevol voor de sociale cohesie in buurt en wijk, voor een soepel verloop van voorleesuren in de bibliotheek, voor het organisatiewerk van amateurkunstverenigingen, voor kunstschooldagen of rondleidingen in het museum.

Veel culturele instellingen, zoals kleinere theaters, poppodia, musea en filmhuizen, kunnen niet zonder de inzet van vrijwilligers. Ook individuele kunstenaars maken gebruik van deze groep. Vaak zijn vrijwilligers volwassenen tussen de 45 en 55 jaar en meestal zijn ze 65 en ouder. In de erfgoedsector bijvoorbeeld is driekwart ouder dan 60 jaar. Het werven van jongere vrijwilligers is een probleem, ook al worden er genoeg pogingen gedaan om jongeren aan te trekken. De amateurkunstensector kampt met een tekort aan vrijwilligers. Vooral in de disciplines beeldende kunst en instrumentale muziek wordt dit gevoeld.
Een bijzonder voorbeeld van een geslaagd vrijwilligersproject is de 11 Kernenopera van Dario Fo. Met meer dan 1.500 vrijwilligers van alle leeftijden maakte Dario Fo in twaalf maanden tijd elf opera's voor het Westland. En dit is slechts één voorbeeld.
Op de ranglijst van populair vrijwilligerswerk staat kunst en cultuur op plaats 7, de sportvereniging al jaren op nummer 1. Ik denk dat vrijwilligerswerk voor kunst en cultuur een stijger met stip is en als gevolg van het huidige overheidsbeleid misschien wel snel op nummer 1 terecht zal komen.

De grootste vrijwilligersactie van Nederland is NL DOET. Op 18 en 19 maart 2011 kan iedereen de handen uit de mouwen te steken. Een leuk voorbeeld is werken voor het afvalmuseum in Utrecht.


Zie discussie over vrijwilligerswerk en cultuureducatie op LinkedIn - Netwerk Cultuureducatie.