Posts tonen met het label subsidie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label subsidie. Alle posts tonen

vrijdag 21 oktober 2011

Wat is goede cultuureducatie?

Wanneer is er sprake van goede cultuureducatie? Wanneer kun je zeggen dat cultuureducatie resultaat heeft. En wat is dan dat resultaat? Essentiële vragen voor culturele instellingen met een educatief aanbod.

Hardop denkend lijken cultuureducatieve activiteiten geslaagd als deelnemers er ook wat van leren en dit positief waarderen. Dus vragen culturele instellingen daarnaar bij hun deelnemers. Maar om gefundeerd vast te stellen wat de kwaliteit van cultuureducatie is en hier grip op te krijgen, dat is een stuk complexer. Natuurlijk is dit ook voor de subsidiegever van belang, zoals het ministerie van OCW. Het ministerie vroeg onderzoeksbureau Oberon dan ook na te gaan hoe gesubsidieerde culturele instellingen invulling geven aan cultuureducatieve activiteiten voor scholen en wat de indicatoren zijn voor de kwaliteit daarvan. Op grond van de onderzoeksuitkomsten verdeelde Oberon de indicatoren in drie categorieën: randvoorwaarden die goede cultuureducatie mogelijk maken, inhoudelijke karakteristieken van de activiteiten en tot slot de opbrengsten ervan.

Uit een enquête die Oberon dit jaar hield onder gesubsidieerde culturele instellingen blijkt dat zij voor een deel andere prioriteiten stellen dan Oberon formuleert en ook andere dan bovengenoemde indicatoren bepalend vinden voor de kwaliteit van hun educatieve aanbod. Daarnaast verklaart een aanzienlijk deel van de respondenten dat sommige van de indicatoren niet van toepassing zijn.
Het meest positief zijn de instellingen over de opbrengsten van hun educatieve activiteiten. Passie en plezier teweegbrengen voor kunst en cultuur vinden verreweg de meeste instellingen het belangrijkst. Van de randvoorwaarden beoordelen ze de professionaliteit en inbreng van hun medewerkers het meest positief. Ongeveer de helft van de instellingen beoordeelt de eigen inhoudelijke kwaliteit als goed. Aansluiten bij de doelgroep en het bieden van een podium zien de meeste instellingen als inhoudelijk het belangrijkst.

Werken aan de kwaliteit van eigen educatieve activiteiten is natuurlijk voor alle culturele instellingen van belang. Dit geldt in verhevigde mate voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur, omdat zij in hun subsidieaanvragen voortaan duidelijk moeten maken op welke manier zij binnenschoolse cultuureducatie vormgeven. En volgens staatssecretaris Zijlstra is dat een zwaarwegend beoordelingscriterium. Instellingen moeten zich dan de vraag stellen: doen we de dingen die we doen ook goed?

Dit kwaliteitsvraagstuk staat centraal op de discussiebijeenkomst 'Kwaliteit van cultuureducatie'die Cultuurnetwerk Nederland samen met Kunstfactor binnenkort op verzoek van OCW organiseert voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur. Leidraad daarbij vormt 'Kwaliteitskader cultuureducatie door culturele instellingen' van Oberon dat binnenkort verschijnt.

Natuurlijk kan iedereen die er op 31 oktober niet bij is - hier of op LinkedIn - een waardevolle bijdrage leveren aan de discussie!

Zie voor meer discussie over de kwaliteit van cultuureducatie het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

vrijdag 3 juni 2011

Cultureel ondernemerschap: een antwoord op bezuinigingen?


Zodra er bezuinigd wordt op cultuur, komt als antwoord daarop de door staatssecretaris Van der Ploeg geïntroduceerde term 'cultureel ondernemerschap' bovendrijven. Ook nu weer in het advies van de Raad voor Cultuur: ondernemerschap en eigen inkomsten als een beoordelingscriterium om in de nieuwe basisinfrastructuur te worden opgenomen.

Maar wat is cultureel ondernemerschap? Het raadsadvies blijft vaag. Hoe culturele instellingen eigen inkomsten moeten verwerven, en hoe dit ondernemerschap zich verhoudt tot de artistieke en sociaal-maatschappelijke taken van de instellingen, komt daarin nauwelijks aan bod. Meer dan tien jaar geleden was cultureel ondernemerschap voor Van der Ploeg een 'open, actieve, publieksgerichte en ondernemende houding', die nodig was om het publieksbereik en de maatschappelijke relevantie te vergroten. En ook Van der Ploeg werd toentertijd verweten hiermee vooral bezuinigingen op het oog te hebben.

Veel lokale instellingen voor kunsteducatie hebben te maken met bezuinigingen. Gemeenten korten de subsidies en verwachten dat instellingen deze financiële tegenslag met cultureel ondernemerschap opvangen. Immers, zo is de redenering, als particuliere kunstdocenten zonder subsidie lessen kunnen geven, waarom zou je centra voor de kunsten dan subsidiëren?

Onlangs hoorde ik Marc Jacobs, de nieuwe directeur van de Bossche Muzerije, op een conferentie van het Fonds voor Cultuurparticipatie. 'Wat doet het ertoe of ik cultureel ondernemer ben?' zei Jacobs. Hij werkt voor een professionele instelling die zich nadrukkelijk positioneert naast particuliere aanbieders. In plaats van zich te profileren als de vierentwintigste aanbieder van pianolessen, richt Jacobs zich op kunstvormen die bij particuliere docenten minder aan bod komen, zoals samenspelvormen en producties die particulieren niet makkelijk kunnen realiseren, en kunsteducatie in het onderwijs. Juist daarom vind ik Jacobs een cultureel ondernemer: hij combineert maatschappelijke taakstellingen met een zakelijke opstelling. Zo bezien, is cultureel ondernemerschap meer dan een antwoord op bezuinigingen: instellingen kunnen hun ideële missie en maatschappelijke taakstelling op een bedrijfsmatige manier invullen met een verantwoorde besteding van publieke middelen.
Om cultureel ondernemerschap aan te moedigen, moeten gemeenten bij de verdeling van subsidies niet alleen kijken naar het aantal cursisten van een instelling voor kunsteducatie, zoals nu nog wel gebeurt, maar ook naar de manier waarop zij hun maatschappelijke taak invullen. En daar hoort dan ook een verruiming bij van mogelijkheden om reserves op te bouwen, zelf het gebouw te exploiteren of commerciële nevenactiviteiten te ondernemen.

Een goed uitgangspunt voor gemeenten en instellingen die hierover samen in gesprek willen gaan is het rapport van Noordman en Stoelhorst uit 2007 over cultureel ondernemerschap bij centra voor de kunsten.

Zie voor reacties ook de discussie over cultureel ondernemerschap op het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

vrijdag 13 mei 2011

De kracht van Jeugdtheaterscholen


Illustratie: Jeugdtheaterhuis Zuid-Holland

De afgelopen vijfentwintig jaar leidde de belangstelling van jongeren om toneel te spelen tot de oprichting van vele jeugdtheaterscholen. Rotterdam kwam in 1985 als eerste met Jeugdtheaterschool Hofplein. In datzelfde jaar startte de Vooropleiding Theater – nu De Noorderlingen – in Groningen en in de herfst van 1989 begon JeugdtheJAterschool in Amsterdam. En dat was nog maar het begin, want volgens de cijfers van de Stichting Netwerk Jeugdtheaterscholen zijn er nu ruim zestig scholen actief. Dat willen ze weten ook, op zaterdag 21 mei, met hun Dag van de Jeugdtheaterscholen.

Het valt op dat jeugdtheaterscholen opgericht zijn en geleid worden door gedreven theatermakers met een grote passie voor overdracht naar kinderen en jongeren. Educatie en participatie lopen dan naadloos in elkaar over: jongeren maken zelf dans- en theatervoorstellingen die nauw aansluiten bij hun eigen belevingswereld. En daar hebben ze ook best wat voor over. Het is heel gebruikelijk dat leerlingen jaren achtereen op de theaterschool zitten en daar het intensieve programma volgen. Opvallend in een tijd waarin veel centra voor de kunsten juist korte cursussen en workshops aanbieden omdat cursisten zich niet voor lange tijd willen binden.

Hoewel de storm van bezuinigingen voor de podiumkunstensector steeds heftiger wordt, gelet ook op het onlangs uitgebrachte advies van de Raad voor Cultuur, lijkt het met de jeugdtheaterscholen tot nu toe alleen maar beter te gaan. Grote Broer in Nijmegen bijvoorbeeld groeit maar door en werkt - zonder reguliere subsidie - zeer ondernemend samen met scholen. Ook Faust in Almere wordt steeds groter zonder structurele subsidie van wie dan ook. Daarnaast is Hofplein een mooi voorbeeld van een jeugdtheaterschool die talentontwikkeling op alle niveaus aanpakt - van enthousiaste liefhebber tot aanstaande professional.

In het advies van de Raad voor Cultuur kom je het woord theaterschool niet tegen. Over de werkwijze van de scholen heeft het advies het echter wel: de Raad vindt 'producties die niet alleen voor maar ook dóór jeugd en jongeren worden gemaakt' een goede manier om jong publiek enthousiast te maken voor de (podium)kunsten. En doordat instellingen aansluiting zoeken bij de jongerencultuur en jongeren actief laten meedoen, ontwikkelt de kunstvorm zichzelf ook.
Om wat meer stabiliteit en continuïteit te waarborgen is toch aanvullende financiering nodig. Dan is het jammer dat nu de subsidie voor succesvolle theaterscholen zoals Rabarber in Den Haag op de tocht komt te staan. Maar als een school bij gemeente of provincie subsidie vraagt zegt men al snel: 'Dat hebben jullie toch niet nodig? Jullie zijn toch die succesvolle cultureel ondernémers?!'

Zie voor reacties ook het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.

vrijdag 9 april 2010

Verborgen Schatten
















'Waar vóór 2006 de overheid precies had vastgelegd waar geld aan besteed mocht worden, krijgen scholen tegenwoordig een grote zak met geld. Ze mogen zelf bepalen wat ze ermee doen', aldus Jos Bol, ICC-trainer en regioconsulent bij Kunst Centraal tijdens de Culturele Onderwijstentoonstelling in Spant! te Bussum.

Leerkrachten klagen dat er veel te weinig geld is voor kunst en cultuur, maar wat is nu precies het probleem? De 'afwezigheid' van geld, of de 'onbereikbaarheid' ervan? Er wordt immers heel veel geld in het onderwijs gepompt, en daar hoort cultuureducatie bij.

De rijksoverheid geeft per school € 94,75 en per leerling € 3,96 voor kunst en cultuur. Bovendien komt daar vanuit de Regeling Versterking Cultuureducatie nog eens € 10,90 per leerling bij. Bij elkaar zo'n € 15,- per leerling. Hetzelfde geldt voor het voorgezet onderwijs. Naast reguliere middelen voor de kunstvakken krijgt elke leerling een bedrag van € 15,- via de cultuurkaart; CKV-leerlingen krijgen daar nog eens een tientje van het VSB fonds bij. En dan zijn er nog subsidies van provincies en gemeenten en fondsen - zoals het Fonds voor Cultuurparticipatie en het Jeugdcultuurfonds. Ook zijn er niet-specifieke inkomstenbronnen zoals het geld voor schoolbegeleiding (€ 40,- per leerling!) dat sinds 2008 direct op de rekening van de school wordt gestort.

Er is dus wel degelijk geld, maar vaak is het verborgen. Van veel cultuurcoördinatoren hoor ik dat zij het cultuurbudget niet zelf mogen beheren. Het bovenschoolse management of het bestuur verdeelt de centen en stelt daarin zelf prioriteiten. En die liggen vaak niet bij cultuureducatie. Voor cultuuronderwijs zijn scholen dus afhankelijk van de daadkracht van het schoolbestuur en het cultuurbeleid van de school. Dus leerkrachten en directeuren: neem zelf het heft in handen, neem een middag vrij en verdiep je in deze materie. Kunst Centraal, EDU-ART,… ze organiseren allemaal trainingen of studiedagen om je wegwijs te maken in subsidieland. Het kan echt wat opleveren. Als je weet wat er te halen is, kun je beter met je vuist op de bestuurstafel slaan. En die cursus betaal je natuurlijk niet uit het cultuurbudget, maar uit het potje 'scholing'!

Meer informatie:
Cultuureducatie en financiën (PDF), EDU-ART
Training 'Subsidiewijs in Cultuureducatie' van de KPC-groep
Workshop over financiën van Kunst Centraal tijdens Culturele Onderwijstentoonstelling 2010
Subsidies en geldbronnen op Cultuurplein