Maandagmiddag gespreksleider van een discussiebijeenkomst voor genodigde culturele instellingen. Onderwerp was de kwaliteit van cultuureducatie én een kwaliteitskader om die kwaliteit te toetsen. Claudy Oomen – van Oberon - was duidelijk in haar verhaal: 'Meet je kwaliteit om die te verbeteren en gebruik het kwaliteitskader als instrument voor zelfevaluatie'.
De referenten vertelden daarna kort wat zij van het kwaliteitskader vonden. Vanuit haar ervaring als cultureel partner van Amsterdamse scholen accentueerde Karlien Pijnenborg van de Toneelmakerij, het belang van duurzame samenwerking met scholen. Noortje Driessen van de Tilburgse basisschool Bibit hecht aan goede afspraken met culturele instellingen over inhoud en opbrengst. En Teunis IJdens van Cultuurnetwerk Nederland houdt de school verantwoordelijk voor de kwaliteit van een cultuureducatieve activiteit.
Aan de hand van stellingen, stemmingen en op scherm geprojecteerde stemuitslagen discussieerden we, met een kleine vijftig deelnemers, betrokken en gedreven over dit onderwerp. Ter illustratie enkele voorbeelden van de stellingen: 'Een culturele instelling die aan alle indicatoren van het kwaliteitskader voldoet, moet een kwaliteitskeurmerk krijgen'. Of: 'Dit kwaliteitskader moet culturele instellingen dwingen de kwaliteit van cultuureducatie voor het onderwijs te verbeteren.' En als laatste: 'Er had beter een kwaliteitskader cultuureducatie voor het onderwijs ontwikkeld kunnen worden'. U begrijpt dat het meningsverschil dan groot kan zijn. Over één stelling was bijna iedereen het eens: 'Dit kwaliteitskader inspireert culturele instellingen om werk te maken van kwaliteit'.
De monitoren cultuureducatie in het basis- en voortgezet onderwijs concludeerden dat het de goede kant op ging. Er is echter ook kritiek op die kwaliteit. In het Jaarboek 2010 van het Fonds voor Cultuurparticipatie schreef Ton Bevers: hoe kun je de kwaliteit verbeteren als er niet meer lesuren zijn. Als er in het basisonderwijs steeds minder vakleerkrachten zijn. En als de deskundigheid van de groepsleerkracht voor de kunst- en erfgoedvakken niet optimaal is. Dat klopt allemaal, maar aan de andere kant weten we natuurlijk niet hoe het echt met de kwaliteit van het cultuuronderwijs gesteld is, omdat we niet weten wat er in de les zelf gebeurt.
Dat goede cultuureducatie van groot belang is, spreekt voor zich. Dat die kwaliteit het best te beoordelen is door onderwijsprofessionals zelf is minder vanzelfsprekend. Wat mij maandag opviel is dat culturele instellingen vooral de wow-ervaring belangrijk vinden: de vonk die oplicht tussen kunstwerk en leerling, tussen activiteit en lerende. Het is mooi als dat gebeurt, maar ook zonder deze voorwaarde kunnen en moeten leeropbrengsten gerealiseerd worden.
Dat vraagt om een goed gesprek tussen school en instelling, met als uitgangspunt het onderwijs, het onderwijsleerplan en de onderwijspraktijk. Vervolgens komt de vraag of, wat en hoe externe organisaties, zoals culturele instellingen, kunnen bijdragen aan de kwaliteit van cultuureducatie.
Vandaar dan ook dat ik nieuwsgierig ben naar het oordeel van de scholen over dit kwaliteitskader.
Zie voor reacties ook het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.
Posts tonen met het label Oberon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oberon. Alle posts tonen
vrijdag 4 november 2011
vrijdag 21 oktober 2011
Wat is goede cultuureducatie?
Wanneer is er sprake van goede cultuureducatie? Wanneer kun je zeggen dat cultuureducatie resultaat heeft. En wat is dan dat resultaat? Essentiële vragen voor culturele instellingen met een educatief aanbod.
Hardop denkend lijken cultuureducatieve activiteiten geslaagd als deelnemers er ook wat van leren en dit positief waarderen. Dus vragen culturele instellingen daarnaar bij hun deelnemers. Maar om gefundeerd vast te stellen wat de kwaliteit van cultuureducatie is en hier grip op te krijgen, dat is een stuk complexer. Natuurlijk is dit ook voor de subsidiegever van belang, zoals het ministerie van OCW. Het ministerie vroeg onderzoeksbureau Oberon dan ook na te gaan hoe gesubsidieerde culturele instellingen invulling geven aan cultuureducatieve activiteiten voor scholen en wat de indicatoren zijn voor de kwaliteit daarvan. Op grond van de onderzoeksuitkomsten verdeelde Oberon de indicatoren in drie categorieën: randvoorwaarden die goede cultuureducatie mogelijk maken, inhoudelijke karakteristieken van de activiteiten en tot slot de opbrengsten ervan.
Uit een enquête die Oberon dit jaar hield onder gesubsidieerde culturele instellingen blijkt dat zij voor een deel andere prioriteiten stellen dan Oberon formuleert en ook andere dan bovengenoemde indicatoren bepalend vinden voor de kwaliteit van hun educatieve aanbod. Daarnaast verklaart een aanzienlijk deel van de respondenten dat sommige van de indicatoren niet van toepassing zijn.
Het meest positief zijn de instellingen over de opbrengsten van hun educatieve activiteiten. Passie en plezier teweegbrengen voor kunst en cultuur vinden verreweg de meeste instellingen het belangrijkst. Van de randvoorwaarden beoordelen ze de professionaliteit en inbreng van hun medewerkers het meest positief. Ongeveer de helft van de instellingen beoordeelt de eigen inhoudelijke kwaliteit als goed. Aansluiten bij de doelgroep en het bieden van een podium zien de meeste instellingen als inhoudelijk het belangrijkst.
Werken aan de kwaliteit van eigen educatieve activiteiten is natuurlijk voor alle culturele instellingen van belang. Dit geldt in verhevigde mate voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur, omdat zij in hun subsidieaanvragen voortaan duidelijk moeten maken op welke manier zij binnenschoolse cultuureducatie vormgeven. En volgens staatssecretaris Zijlstra is dat een zwaarwegend beoordelingscriterium. Instellingen moeten zich dan de vraag stellen: doen we de dingen die we doen ook goed?
Dit kwaliteitsvraagstuk staat centraal op de discussiebijeenkomst 'Kwaliteit van cultuureducatie'die Cultuurnetwerk Nederland samen met Kunstfactor binnenkort op verzoek van OCW organiseert voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur. Leidraad daarbij vormt 'Kwaliteitskader cultuureducatie door culturele instellingen' van Oberon dat binnenkort verschijnt.
Natuurlijk kan iedereen die er op 31 oktober niet bij is - hier of op LinkedIn - een waardevolle bijdrage leveren aan de discussie!
Zie voor meer discussie over de kwaliteit van cultuureducatie het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.
Hardop denkend lijken cultuureducatieve activiteiten geslaagd als deelnemers er ook wat van leren en dit positief waarderen. Dus vragen culturele instellingen daarnaar bij hun deelnemers. Maar om gefundeerd vast te stellen wat de kwaliteit van cultuureducatie is en hier grip op te krijgen, dat is een stuk complexer. Natuurlijk is dit ook voor de subsidiegever van belang, zoals het ministerie van OCW. Het ministerie vroeg onderzoeksbureau Oberon dan ook na te gaan hoe gesubsidieerde culturele instellingen invulling geven aan cultuureducatieve activiteiten voor scholen en wat de indicatoren zijn voor de kwaliteit daarvan. Op grond van de onderzoeksuitkomsten verdeelde Oberon de indicatoren in drie categorieën: randvoorwaarden die goede cultuureducatie mogelijk maken, inhoudelijke karakteristieken van de activiteiten en tot slot de opbrengsten ervan.
Uit een enquête die Oberon dit jaar hield onder gesubsidieerde culturele instellingen blijkt dat zij voor een deel andere prioriteiten stellen dan Oberon formuleert en ook andere dan bovengenoemde indicatoren bepalend vinden voor de kwaliteit van hun educatieve aanbod. Daarnaast verklaart een aanzienlijk deel van de respondenten dat sommige van de indicatoren niet van toepassing zijn.
Het meest positief zijn de instellingen over de opbrengsten van hun educatieve activiteiten. Passie en plezier teweegbrengen voor kunst en cultuur vinden verreweg de meeste instellingen het belangrijkst. Van de randvoorwaarden beoordelen ze de professionaliteit en inbreng van hun medewerkers het meest positief. Ongeveer de helft van de instellingen beoordeelt de eigen inhoudelijke kwaliteit als goed. Aansluiten bij de doelgroep en het bieden van een podium zien de meeste instellingen als inhoudelijk het belangrijkst.
Werken aan de kwaliteit van eigen educatieve activiteiten is natuurlijk voor alle culturele instellingen van belang. Dit geldt in verhevigde mate voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur, omdat zij in hun subsidieaanvragen voortaan duidelijk moeten maken op welke manier zij binnenschoolse cultuureducatie vormgeven. En volgens staatssecretaris Zijlstra is dat een zwaarwegend beoordelingscriterium. Instellingen moeten zich dan de vraag stellen: doen we de dingen die we doen ook goed?
Dit kwaliteitsvraagstuk staat centraal op de discussiebijeenkomst 'Kwaliteit van cultuureducatie'die Cultuurnetwerk Nederland samen met Kunstfactor binnenkort op verzoek van OCW organiseert voor instellingen in de landelijke basisinfrastructuur. Leidraad daarbij vormt 'Kwaliteitskader cultuureducatie door culturele instellingen' van Oberon dat binnenkort verschijnt.
Natuurlijk kan iedereen die er op 31 oktober niet bij is - hier of op LinkedIn - een waardevolle bijdrage leveren aan de discussie!
Zie voor meer discussie over de kwaliteit van cultuureducatie het Netwerk Cultuureducatie op LinkedIn.
Abonneren op:
Posts (Atom)